Vorige week las ik een prachtige column van Pieter van den Hoogenband over sportouders die in de meeste gevallen het beste met hun talentvolle kind voor hebben, zolang ze maar de beste zijn of dat ten minste binnen afzienbare tijd zouden moeten worden.
Afgelopen weekend was ik getuige van een ongemakkelijke situatie tijdens een sprintwedstrijd. Naast me op de tribune zat een behoorlijk nerveuze moeder. Nou kan ik zelf ook weleens zenuwachtig zijn vlak voordat Miss A. op het startblok stapt, maar hier was duidelijk sprake van een ernstige vorm van nervositeit.
Ik raakte met haar in gesprek en vroeg waarom ze zo zenuwachtig was. Ze zag haar kind aan de overkant op de tribune huilen en wist niet goed wat ze ermee aan moest. Het bleek dat het kind net de zwemdiploma's had gehaald, nog maar 3 maanden bij een vereniging zwom en dat dit de 2e wedstrijd was. De eerste wedstrijd was een Swimkick geweest, wedstrijden voor de allerjongsten om kennis te maken met zwemwedstrijden.
Inmiddels snapte ik waarom de vrouw zo nerveus was en leefde met haar mee. Aan de andere kant begreep ik niet goed wat het kind -met alle respect- deed op dit kampioenschap. Natuurlijk is de afstand van 50 meter wel te doen, maar een kind dat nog maar zo kort geleden is begonnen, zwemt in beginsel wedstrijdjes van 25 meter. Ze zijn doorgaans behoorlijk gespannen, willen als een dolle naar de eindstreep, kunnen een race nog niet doseren en keerpunten hebben ze vaak ook nog niet onder de knie.
Lees het vervolg van de blog.Geplaatst op 01 maart 2016 door tym